Dektjalk “De Hoop”

Tekst van een door mij geschreven artikel voor de Historische Vereniging van Zwartsluis, verschenen in de “Sluziger Kroniek” no. 57 september 2009.

 




tante Gees en oom Reinder
Parenteel Vlot

Dektjalk “De Hoop” was jarenlang in het bezit van Reinder van de Beld en Geesje Vlot. Het echtpaar had geen kinderen die het bedrijf konden voortzetten. In 1970 is het schip, compleet met inventaris, verkocht aan de Stichting Openlucht Binnenvaart Museum te Rotterdam en in 1983 wordt het schip overgedragen aan de gemeente Rotterdam. Het schip was toen nog in originele staat. Vroeger werden dit soort schepen gebruikt voor visserij, transport en veerdiensten.


 

 

 

Het Jagen

Jagen is het vanaf de wal voorttrekken van een schip. Schepen werden vaak uit noodzaak gejaagd. Dit vond vaak plaats omdat de wind uit de verkeerde richting kwam, of omdat het schip niet de ruimte had om te zeilen en men toch op een bepaalde plaats moest zijn, binnen een bepaalde tijdsperiode. In smalle en ondiepe wateren kon je alleen zeilen als je de wind mee had. Wanneer je de wind van voren had of er was helemaal geen wind dan moest je wel jagen om nog vooruit te komen. Meestal betekende dit dat je aangewezen was op “man”kracht. Vaak bleef de vrouw aan het roer en liep de schipper in de zogenoemde trekzeel, maar er waren ook vrouwen die een schip uren lang voortsleepten. Op bepaalde wateren kon je tegen betaling een beroep doen jagers met een paard. Voor het jagen werd er in de mast een lijn gebonden. Bij zeilschepen werd de jaaglijn meestal aan de fokkeval gezet en tot halverwege de mast gehesen, dit is duidelijk te zien op de foto. De jaaglijn was een henneplijn, aan het eind hiervan werd een brede band van jute of leer geknoopt dit noemde men een trekzeel. Meestal werd de trekzeel op borsthoogte, rond het lichaam en de armen gedragen, ook dit is op de foto goed te zien. Werd er met paarden getrokken dan werd de lijn aan het paardentuig vast gemaakt. Op plaatsen waar veel gejaagd werd, liep er langs het water een jaagpad.

 

 

 

 

 

Dektjalk “De Hoop” is een zeilschip, de foto laat zien dat het schip getrokken wordt door tante Gees.

“Big Brother”

Zwartsluis en Rotterdam verschillen enorm van elkaar. Denk alleen maar aan zaken als inwoneraantal en oppervlakte. Toch liggen het plaatsje in de Kop van Overijssel en de Maasstad niet eens zover uit elkaar als op het eerste gezicht lijkt. Beide worden namelijk gekenmerkt door schepen, kaden en bruggen. Het water vormt een onverbrekelijke band tussen Zwartsluis en Rotterdam. Dit gemeenschappelijke karakter wordt onderstreept door een schip. Op de kade van de Leuvehaven in Rotterdam ligt namelijk dektjalk “De Hoop” uit Zwartsluis. Met wat googelen kom ik op de website www.wjousma.nl terecht. Daar is te lezen dat “De Hoop” een dektjalk is die in 1970 aan het Havenmuseum in Rotterdam is verkocht. 
Een stukje Zwartsluis op een Rotterdamse kade. Alsof de grote Zuid-Hollandse broer zijn Overijsselse zusje even uit het water heeft getild om haar straks weer verder te laten varen.
Jan Smit
Dektjalk “De Hoop”

Inleiding
Naar aanleiding van het stukje van de heer Jan Smit is mij gevraagd een artikel te schrijven over dektjalk “de Hoop”, met als thuishaven Zwartsluis.
In de eerste plaats wil ik mij aan u voorstellen, ik ben Wijtske Jousma, geboren in 1957 te zwartsluis en in 1978 gehuwd met JA, nakomeling uit een familie die vanaf circa 1736 in Zwartsluis woonachtig is. Uit (stamboom)onderzoek blijkt dat onze familie een rijke geschiedenis heeft binnen de scheepvaart en aanverwante beroepen. 
Onze zoon, student te Middelburg, is werkzaam voor deze zomerperiode bij het Deltapark Neeltje Jans in Zeeland, mijn man, heeft door zijn beroep vele contacten binnen de scheepvaart en is op dit moment voorzitter van Koninklijke Schippersvereniging “Schuttevaer” afdeling Zwartewater, zijn vader Willem Visscher was scheepsbouwmeester en zijn grootvader Jan Albert Visscher was huis- en scheepssmid en grondlegger van een scheepswerf in Zwartsluis. 
Een overgrootvader, Andries van Dorsten was kapitein op de Paul Kruger II, die een beurvaart onderhield tussen Meppel en Rotterdam. Ook de familie van Dorsten is een uit Zwartsluis afkomstige familie en komt in 1714 al voor in de doopboeken van Zwartsluis.
Grootvader Jan Albert Visscher treedt in 1906 in het huwelijk met Aaltje Vlot en haar zuster Geesje Vlot treedt in 1930 in het huwelijk met Reinder van de Beld, schipper en eigenaar van Dektjalk “De Hoop”. Hun enige broer Willem Vlot vertrekt tussen 1918 en 1921 naar Den Helder en is daar werkzaam als scheepssmid. Geesje Vlot is evenals haar zuster en broer opgegroeid in de buurtschap Hamingen. Het is waarschijnlijk dat Geesje Vlot en Reinder van de Beld na hun huwelijk in 1930 aan boord van dektjalk “De Hoop” zijn gaan wonen.
 

Een dektjalkDe tjalk is een zeilend vrachtschip, welke veelal vaarde op de binnenwateren. In de 17e eeuw werd de naam tjalk voor het eerst gebruikt voor schepen met een ronde boeg. De tjalk is lang, smal en ondiep van bouw, verder heeft hij een volle ronde boeg en ronde klimmen. Op enkele uitzonderingen na hadden zij één mast en waren voorzien van zijzwaarden. Deze schepen werden zowel in hout als ijzer en later van staal gebouwd, voornamelijk in Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en een enkele keer in Noord-Holland. Door de vaak vele verschillen in herkomst, uitvoering en gebruik kregen tjalken een naam die hiermee te maken had. Zo kennen we allemaal wel de Friese tjalk (of skûtsje), een tjalk voor de kleinere waterwegen in Friesland. De dektjalk onderscheidt zich van andere typen tjalken doordat de woonruimten geheel onder dek liggen en via een trap toegankelijk zijn. Dit in tegenstelling tot de paviljoentjalk waar de woonruimtes gedeeltelijk boven dek liggen. Door de geringe afstand tussen de bodem en het dek konden dergelijke schepen komen op plaatsen waar andere zouden vastlopen. De diepgang was veelal niet meer dan ruim een halve meter, waardoor de (dek)tjalk een groot vaargebied had.

Dektjalk “De Hoop”De (geklonken) stalen dektjalk “De Hoop” werd onder zijn eerste naam “De drie gebroeders”, in 1890 gebouwd op de scheepswerf van Fernhout te Smilde, deze werf lag tussen de Jonkersbrug en de Grietmansbrug aan de westzijde van de Drentsche Hoofdvaart.

Naam: 
 “De Hoop”
   
Activiteit:
 Scheepvaart
Soort Vaartuig: 
 Zeilend Bedrijfsvaartuig
Gebouwd  door:
 Werf Fernhout in Smilde
Type:
 Dektjalk
Bouwjaar:
 1890
Afmetingen (lxb):
 20,85m x 4,49m
 Holte:
 1,72
Diepgang:
 0,54m
Laadvermogen:
In 1901 te boek gesteld voor 84 ton. Later in 1943, voor 96,258 ton
Voortbeweging:
 Zeilend, trekvaart
Indeling:
Achteronder (woning onder het dek), ruim, vooronder
Tuigage:
1 mast met bokkepoten, grootzeil met rechte gaffel, fok, kluiver 
Volgens informatie van het Maritiem Museum te Rotterdam is “De Hoop” eerst in eigendom van Jan Meijboom (Harmszoon) wonende te Meppel, onder de naam “Drie Gebroeders”. In 1900 verkoopt hij het schip aan een schipper Albert (waarschijnlijk is dit Albert Ellen geweest). Albert verkoopt het schip vervolgens in 1916 aan Berend van de Beld. 
 
Sinds kort is het mogelijk om onderzoek te doen in een deel (de liggers) van het archief van de Scheepsmetingsdienst, welke zich bevinden in de collectie van het Maritiem Museum te Rotterdam. Deze liggers zijn doorzoekbaar via het nummer van de meetbrief. Dektjalk “De Hoop” heeft twee nummers. Het oudste nummer is Zs 362 N (voor Zwartsluis). Datum van de eerste meting was 1 mei 1916 en de eigenaar was toen Berend van de Beld. In 1937 werd “De Hoop” opnieuw gemeten, ditmaal in Amsterdam. De eigenaar was toen Reinder van de Beld. Er heeft hierna geen meting meer plaats gevonden. 
In 1970 verkoopt Reinder van de Beld dektjalk “De Hoop” aan de Stichting Openlucht Binnenvaartmuseum en in 1983 wordt het schip overgedragen aan de Gemeente Rotterdam. Dektjalk “De Hoop” staat op dit moment op de wal in de Leuvehaven en is in gebruik als “Het Knopenpaleis”.
 

Dektjalk “De Hoop” is in 1970 in originele staat en compleet met inventaris overgedragen aan het museum met de bedoeling dat het schip bewaard zou blijven als herinnering aan voorbije jaren. Mijn man Jan Albert Visscher herinnert zich nog hoe het er uitzag. Het ruim -waar je van oom Reinder mocht voetballen- en achter op het schip, waar je met een trapje naar beneden ging en je in een kleine kombuis/roef kwam. In de hoek een ronde bank en een kleine tafel, hiertegenover de bedstee waar geslapen werd en daarnaast het fornuis. Vroeger werden in het ruim verschillende ladingen vervoerd (bijvoorbeeld turf, graan, aardappelen, suikerbieten en schelpen), in latere jaren lag het schip in de winterperiode te Meppel en werd gebruikt als opslag voor graan door de Coöperatieve Landbouwbank Meppel.

In bezit van de familie is een foto van Geesje Vlot, gemaakt in de jaren vijftig op het Oranjekanaal. De foto laat zien dat het schip getrokken wordt door Geesje Vlot. Zij loopt in een zogenoemd trekzeel, om doormiddel van “man”kracht het schip vooruit te trekken. Dit wordt ook wel jagen genoemd. Schepen werden vaak uit noodzaak gejaagd. Dit vond plaats omdat de wind uit de verkeerde richting kwam, of omdat het schip niet de ruimte had om te zeilen en men toch op een bepaalde plaats moest zijn, binnen een bepaalde tijdsperiode. Vaak bleef de vrouw aan het roer en liep de schipper in de zogenoemde trekzeel, maar er waren ook vrouwen die een schip uren lang voortsleepten. 
Ik ben me er van bewust dat er vast nog veel meer te vertellen valt over de periode waarin dektjalk “De Hoop” over de Hollandse wateren vaarde. Ik nodig dan ook een ieder uit die meer informatie heeft dit met ons te delen.

Wijtske Visscher-Jousma
Februari 2009
Bronvermelding:
Historisch Centrum Overijssel, Zwolle
Maritiem Museum, Rotterdam

 

Langs het ontstaan van Koninklijke Schuttevaer

In 2009 is ter gelegenheid van het 160-jarig bestaan van schippersvereniging “Koninklijke Schuttevaer” door de afdelingen Zwartewater (Meppel, Zwartsluis en Hasselt) en IJsseldelta (Zwolle en Kampen) een fotoboek samengesteld waarin verleden en heden uit deze plaatsen met elkaar zijn verbonden.

“Denkbeeldig ‘varen’ wij langs deze plaatsen. De titel ‘Langs het ontstaan van Koninklijke Schuttevaer’ sluit hierbij passend aan. In dit fotoboek is tegelijk een deel van een uniek historisch gedicht opgenomen. Wij worden bij het zien van de foto’s van Meppel, Zwartsluis, Hasselt, Zwolle en Kampen herinnerd aan de landschappelijke ligging aan het water. Er is gekozen voor zo’n tien fraaie foto’s van elke plaats met een korte omschrijving van de locatie. Een lastige keuze, want er is veel fraai historisch fotomateriaal. Al kijkend ziet u hoe boeiend en gevarieerd verleden en heden van deze steden/dorpen zijn. Iedereen kan op deze manier haar eigen herinneringen herbeleven.” 1)
Wanneer onder de lezers van deze webpost mensen zijn die belangstelling hebben voor dit boekje dan kunnen ze hierover contact met mij opnemen. Er zijn nog enkele exemplaren beschikbaar.
00098
In het boekje is ook een foto opgenomen van de lidmaatschapskaart van Andries van Dorsten de overgrootvader van mijn man. Onderstaand een foto van hem en zijn gezin aan boord van de Paul Kruger II.
“De foto is gemaakt op de Stoombootkade. Op de achtergrond zien we het pand dat later de (kruidenierswinkel)winkel van Hartkamp was (hier staat nu de Aldi) en helemaal rechts zien we nog een stukje van de slagerij op de hoek Stoombootkade-Brouwersstraat (laatst van Lippinkhof). Het huis links waarvan nog een gedeelte te zien is, staat nog steeds op de hoek van het Bleekerseiland aan het water. Als hier Andries van Dorsten met Elisabeth Pape en vier van hun kinderen opstaan  en de jongste (Jacob, geboren 15-09-1902) niet ouder dan een jaar zal zijn, moet deze foto gemaakt zijn in 1903.” 2)
 
  1.  Citaat J.A. Visscher en R. Huls, 2009, Woord vooraf, pagina 6.
  2. Bron: de heer W. Ponne, e-mail 17-03-2009.